Voorbereiding: Wat kunt u doen voor het seizoen?

HulpTrainer   •  juli 2019

Zit hier rustig op de camping in Frankrijk en vandaag regent het al de gehele dag. Gelukkig hebben wij de andere dagen fantastisch weer gehad maar dit is een mooi moment om eens na te denken over de start van het seizoen. Veel vragen die ik mijzelf stel en waarbij ik collega pupillen trainers probeer te helpen met een goede seizoenstart.

HulpTrainer ondersteunt verenigingen met ontwikkeling van de pupillentrainers dmv onze Pupillen Trainerscursus. Plezier, ontwikkeling en resultaat zijn de drie pijlers van een jeugdopleiding. Voetballen doe je voor je plezier, maar het wordt natuurlijk nog leuker wanneer je merkt dat je beter wordt en dat dit ook leidt tot resultaat: winnen. De ontwikkeling van het individu zal vanzelf leiden tot een beter teamresultaat. De succesbeleving van beter worden en winnen, zorgt voor optimaal voetbalplezier.

Welke voorbereiding kan ik doen!

Hieronder ziet u een afbeelding vanuit onze trainerscursus hoe uw voorbereiding eruit kan zien.

Hieronder probeer ik puntsgewijs te beschrijven welke voorbereiding u kunt doen.

WAAROM AFSPRAKEN MAKEN?

Goede afspraken dragen bij aan een sportieve, plezierige en veilige sfeer. Als jouw spelers weten wat je van ze verwacht, laten ze sneller gewenst gedrag zien. Maak duidelijke afspraken: welk gedrag verwachten wij van elkaar? Verenigingsregels zijn vaak algemeen, het is belangrijk ze met jouw spelers praktisch en concreet te maken. Voor de perfecte start van je seizoen zorg je dat je al in augustus begint met je team afspraken te maken. Op een ouderavond kun je de verenigingsregels en teamafspraken bespreken, waarbij ook aan de orde komt wat je van de ouders verwacht.

WELKE SOORTEN TEAMAFSPRAKEN ZIJN ER?

1 PRAKTISCHE AFSPRAKEN. Op tijd komen, trainingstijden, afmelden als je niet kunt komen, gewenste kleding, douchen na de training en wedstrijd.

2 VOETBALAFSPRAKEN. Wisselbeleid, de posities en de opstelling, de rollen in het veld, de seizoensdoelen en hoe je die als team wilt bereiken.

3 AFSPRAKEN OVER MATERIALEN. Opruimen van de ballen, pylonen, hesjes en het netjes achterlaten van de kleedkamer.

4 GEDRAGSAFSPRAKEN. Hoe gaan we met elkaar om? Spelers onderling, met jou als coach, met tegenstanders, de scheidsrechter. Basisregel: behandel iedereen zoals je zelf behandeld wilt worden, rustig en met respect.

HOE AFSPRAKEN MAKEN?  Bij jonge spelers houd je het simpel. Je kunt afspraken verdelen in: wat doen we wel en wat doen we niet? Wat doen we wel? Op tijd komen, elkaar helpen, aanmoedigen. Wat doen we niet? Schelden en commentaar geven op elkaar, de tegenstander of de scheidsrechter. Oudere jeugd kan vaak zelf bedenken wat belangrijk is. Als ze er over meedenken, worden het hun afspraken en houden ze elkaar eraan. Wat vinden jullie acceptabel? Zo bespreek je het samen en kunnen verschillen in opvattingen duidelijk worden – het begin van goede afspraken.

Waar kan de KNVB u helpen in uw voorbereiding?

Hieronder vind u enkele belangrijke documenten van de KNVB mbt 6:6 en 8:8.

Hieronder vind u de informatie voor O8|O9|O10 en 6 tegen 6.

Hieronder vind u de informatie voor O11 | O12 | en 8 tegen 8.

Hieronder ziet u enkele belangrijke links

Leeftijdskenmerken zijn belangrijk!

Hieronder vind u de leeftijdskenmerken van de verschillende leeftijdscategorieën.

De O6-O7 speler

  1. Wil spelen. Hij sport niet, hij speelt. Het is niet zijn doel zich te ontwikkelen tot voetballer. Het gaat erom dat hij onbewust en spelenderwijs dingen ontdekt. Maak overal een spelletje van, ook het opruimen van de spullen.
  2. Houdt van avontuur. Hij voetbalt omdat hij dat spannend vindt. Hij ervaart zijn omgeving niet als een voetbalveld met afmetingen en regels, maar als een uitgestrekt wonderland.
  3. Wil de bal hebben. Een enkeling kijkt liever nog even toe en schiet de bal ver weg, maar voor de meeste spelers geldt: waar de bal is, daar moet je zijn. Voor die andere enkeling is de bal al meer een middel om kansen te creëren en doelpunten te maken, maar meestal is de balcontrole nog gering. Vandaar dat ze allemaal bij de bal willen zijn.
  4. Is gericht op zichzelf. Ik en de rest van de wereld. Gezond egocentrisme, gaat vanzelf over.
  5. Werkt niet samen. De mini-pupil speelt niet over. Accepteer dit. Wat als een speler het wel doet? Dat is erin gehamerd door papa. Stimuleer het dribbelen, het zelf op avontuur gaan.
  6. Kent weinig regels. Van spelbedoeling en competitiereglementen snapt hij nog weinig. Basale spelregels begint hij te begrijpen, al is er weinig oog voor de belijning. Wel weten ze welke richting ze op moeten en dat ze moeten scoren in een doel.
  7. Houdt het lang vol. Maar een uur is lang voor een mini-pupil. Geef veel beurten, hij leert door herhaling. Las wel tijdig rustmomenten of een drinkpauze in.
  8. Leert door te herhalen. Hij wil niet steeds iets nieuws proberen. Hij wil opgaan in de vorm, heeft succes én uitdaging nodig. Dingen moeten lukken én soms mislukken.
  9. Heeft weinig geduld. Hij wil bewegen, niet luisteren. Bombardeer hem niet met informatie. Geef korte, precieze instructies. Stop met aanwijzingen geven als hij er blijkbaar nog niet voor openstaat.
  10. Is snel afgeleid. Een spanningsboog van tien minuten is het maximum. Wissel tijdig van activiteit of spelvorm. Drijft er een luchtballon over? Ga erbij liggen en geniet mee.
  11. Zet aanwijzingen niet om in daden. Met name aanwijzingen gericht op zijn lijf heeft geen zin. Zeg niet: ‘Standbeen naast de bal, opendraaien na de balaanname’. Doe alles voor. Hij is visueel ingesteld en leert een voetbalhandeling (aannemen, mikken) door nabootsing.
  12. Is visueel ingesteld. Hij gaat nog meer op in het spel als je het aankleedt als een avontuur. Vertel een kort, spannend verhaal over een leeuw die wordt opgejaagd door een jager en hij doet nog meer zijn best.
  13. Krijgt graag aandacht. Laat hem zijn vaardigheden voordoen en gebruik dit als positief voorbeeld bij een uitleg. Help elke speler in zijn eigen tempo.
  14. Vaart wel bij routine en structuur. Voer geleidelijk veranderingen door in de training. Bouw een structuur waarin continuïteit centraal staat, maar ruimte is voor verandering. De mini-pupil went pas na enkele weken aan een nieuwe vorm.
  15. Heeft behoefte aan geborgenheid. Accepteer dat de mini-pupil zomaar van het veld af loopt en mama opzoekt. Laat hem zich thuis voelen in de groep, dan keert hij snel terug. Stimuleer moeders en vaders de rol van spelleider op zich te nemen.

De O8-O9 speler

  1. Wil spelen. Het is niet zijn doel zichzelf te ontwikkelen tot voetballer. Maak overal een spelletje van, ook van het opruimen van de spullen.
  2. Heeft weinig geduld. Hij wil bewegen, niet luisteren. Geef korte, precieze instructies. Bombardeer hem niet met informatie.
  3. Is snel afgeleid. Hij kan zich maar kort richten op eenzelfde activiteit. Varieer, een spanningsboog van tien minuten is al lang. Drijft er een luchtballon over, dan is de bal niet interessant meer. Ga erbij liggen en geniet mee.
  4. Is gericht op zichzelf. Een jonge O9-speler is zijn kleutertijd nog niet helemaal ontgroeid en kan alles op zichzelf betrekken. Ik en de wereld. Verwar dit egocentrisme niet met egoïsme. Het is een natuurlijk ontwikkelingsproces en gaat vanzelf over.
  5. Wil de bal hebben. Het motto is: ik en de bal. Wedstrijdjes draaien twee keer twintig minuten om dat ene ding. Eenmaal in balbezit, blijkt het voor sommigen toch nog heel lastig om de bal bij zich te houden. Voor anderen is de bal al meer een middel om doelpunten te maken of om kansen te creëren.
  6. Werkt niet samen. Soms lijken ze dat even te doen, maar schijn bedriegt. Als je goed kijkt, zie je dat ze tegelijkertijd dezelfde dingen doen – onafhankelijk van elkaar. Bij sommige O9-spelers zie je de eerste tekenen van bewust samenspel.
  7. Zet veel aanwijzingen niet om in daden. Complexe aanwijzingen zoals ‘standbeen naast de bal, opendraaien na de balaanname’, snapt hij niet. Doe alles voor. Hij is visueel ingesteld en leert een nieuwe beweging het snelst door nabootsing van idolen of hun trainer. Laat zien hoe je de bal kunt passen met de binnenkant van de voet, en vertel dan waar je het standbeen kunt plaatsen en hoe je de bal kunt raken.
  8. Leert door te herhalen. Hij wil niet steeds iets nieuws proberen. Hij heeft succes én uitdaging nodig, het moet lukken én soms mislukken.
  9. Krijgt graag aandacht. Laat hem zijn vaardigheden voordoen en gebruik dit als (positief) voorbeeld bij een uitleg. Help elke speler in zijn eigen tempo.
  10. Heeft behoefte aan routine en structuur. Voer geleidelijk veranderingen door in de training. Bouw een structuur waarin continuïteit centraal staat, maar ruimte is voor verandering. O9-spelers wennen pas na enkele weken aan een nieuwe vorm.

O10-O11 speler

  1. Is enthousiast en ongeduldig. Hij wil bewegen, niet luisteren. Geef korte, precieze instructies. Bombardeer hem niet met informatie.
  2. Heeft een grote speldrang. Deze pupillen voetballen om het plezier. Spelenderwijs krijgen ze een grotere handigheid met en zonder de bal.
  3. Doet graag na. Hij is visueel ingesteld en leert een nieuwe beweging het snelst door nabootsing. Doe alles voor.
  4. Leert door te herhalen. Hij wil niet steeds iets nieuws proberen. Hij heeft succes én uitdaging nodig, het moet kunnen lukken én soms mislukken.
  5. Krijgt graag aandacht. Laat hem zijn vaardigheden voordoen en gebruik ze als voorbeeld bij een uitleg.
  6. Heeft veel verbeelding. Laat deze pupillen experimenteren, moedig creativiteit aan, gebruik hun ideeën om de trainingen leuk te maken. Zorg wel voor structuur.
  7. Kan veel doen in weinig tijd. Hij spant zich graag intens in om zich te kunnen uitleven. Laat hem veel voetballen.
  8. Kent ook fysieke grenzen. Bij extreme temperaturen vertonen deze pupillen symptomen van onderkoeling en oververhitting. Zelf overschatten ze zich hierin. Laat ze handschoenen en mutsen dragen. Let op dat er genoeg wordt gedronken.
  9. Geeft zijn mening. Vraag na afloop van elke training aan de pupillen wat ze er wel en niet leuk aan vinden en waarom. Maar niet na elke oefening een hoorcollege.
  10. Is doelgericht. Het maken van doelpunten en het voorkomen van tegendoelpunten betekent veel voor deze kinderen. Laat dit in alle oefen- en partijvormen terugkomen. Geef duidelijk aan hoe beide partijen kunnen scoren.
  11. Wil samenwerken. Hij ziet steeds meer het mogelijk gunstige effect in van het overspelen naar een speler die er beter voor staat. Moedig hem hiertoe aan.
  12. Is prestatiegericht. Geef bij elke oefen- en partijvorm aan hoe er punten kunnen worden gehaald of wat de beloning is.
  13. Heeft een zwart-wit zelfbeeld. Zorg voor positieve feedback om het zelfvertrouwen op te bouwen. Kinderen moeten zich succesvol voelen om dingen te willen herhalen. Bouw op succesvolle pogingen.
  14. Heeft behoefte aan routine en structuur. Voer geleidelijk veranderingen door in de training. Bouw een structuur waarin continuïteit centraal staat, maar ruimte is voor verbeteringen en veranderingen.
  15. Heeft een sterk gevoel van rechtvaardigheid. Alle kinderen houden ervan als dingen eerlijk zijn. Stel hoge verwachtingen, maar wees consequent. Zorg ervoor dat persoonlijke situaties en humeur geen effect hebben op je gedrag.

De 4 kwaliteiten van een succesvolle trainer | coach!

Het staat je vrij om, binnen de verenigingsregels, je rol als trainer/coach op jouw eigen manier in te vullen. Het is zelfs van belang dat je er veel van jezelf in stopt, je eigen stijl, je eigen ervaringen. Dat draagt eraan bij dat jij dit met plezier zult blijven doen. Tenslotte wil je spelers met plezier beter leren voetballen, met inzet van je eigen kwaliteiten. Voor het begeleiden van je spelers zijn er vier kwaliteiten waar je op kunt terugvallen. Iedereen heeft ze in zich en je kunt ze met dit boekje verder ontwikkelen. Deze kwaliteiten gebruik je voor, tijdens en na de training en de wedstrijd, binnen en buiten het veld.

KWALITEIT 1: HOE BIED JE STRUCTUUR AAN JE VOETBALTEAM? Je team heeft structuur nodig om onbezorgd te kunnen voetballen. Zonder heldere afspraken en instructies ontstaat er al gauw verwarring onder spelers en ouders: wat verwacht de coach van mij? Structuur aanbrengen doe je door al aan het begin van het seizoen met spelers en ouders afspraken te maken. Dat maakt het makkelijker voor jou ze aan te spreken als dingen niet gaan zoals je wilt. Ook heldere instructies bij de training en de wedstrijd horen bij het bieden van structuur.

KWALITEIT 2: HOE STIMULEER JE JE VOETBALTEAM? Complimenten en positieve aanmoedigingen brengen het beste boven in spelers. Door steeds het gewenste gedrag te benoemen én te belonen, en door bijvoorbeeld mindere voetbalacties te negeren, creëer je een veilige, prettige sfeer. De snelste weg naar plezier, zelfvertrouwen en succes van je team.

KWALITEIT 3: HOE GEEF JE ELKE SPELER INDIVIDUEEL AANDACHT? Elk kind wil gezien en gewaardeerd worden. Geef iedereen aandacht, niet alleen de uitblinkers of lastpakken. Probeer elke speler tot zijn recht te laten komen met de capaciteiten die hij heeft. Besteed ook aandacht aan nieuwkomers binnen het team, het duurt soms even voordat zij zich thuisvoelen. Kinderen hebben niet allemaal dezelfde aanpak nodig. Heb oog voor verschillen en probeer je complimenten en instructies daarbij aan te passen. Dat zit vaak in de toon, je uitstraling en je woordkeuze.

KWALITEIT 4: HOE MAAK JE JE SPELERS ZELF VERANTWOORDELIJK? Het is verleidelijk precies te vertellen wat je spelers moeten doen. Maar als je ze zelf laat nadenken over hun ontwikkeling, heeft dat meer resultaat. Dat kan op elke leeftijd. Bij de jongste spelers door ze simpele vragen stellen. ‘Als ik de bal wil afpakken, kan ik dan beter zo staan of zo?’ Bij oudere spelers stel je open vragen. ‘Hoe zou je het ook…? Welke actie heeft nog meer resultaat?’

De zon begint hier te schijnen en ga het zwembad maar eens opzoeken. Veel plezier en succes in het komende seizoen!

bron: KNVB.nl en Allemaal Uitblinkers